Ora 11 — Crimineel gerichtssignaat van voor stad- en landgericht. Transcriptie uit het originele document.

Dit is het verhaal van een passant op De Lebbenbrugge, die zich schandelijk gedraagt jegens de dochter en de vrouw des huizes.


Akte in aanwezigheid van Duijthe en Van Trier, den 29 Junij 1722

1. Van waar hij is geboortig en welke zijn ouders zijn
Segt dat hij den meesten tijd heeft verkeert in Amsterdam en daer gelogeert is geweest in de Boere Stege bij Willemtjen Garrits; voorts dat hij een zeevaerent man is en geen vaste woonplaats heeft.

2. Waer dat hij is woonaghtigh en een vaste woonplaatsch hebbende
Segt dat hij sedert eergisteren eerst een stuck van een ander heeft gevraegt en dat hij geen vaste woonplaats is hebbende en dat hij om sich te onderhouden zijn camisool met silvere knopen en een hembt heeft verkofft.

3. Oft hij niet bij Huijsluiden en anderen gaat schoijen
Segt dat hij is geweest in een herberg aan het eijnde van de allee maar dat hij niet weet hoe deselve genaemt wordt; voorts dat hij graeg daer heeft willen vernagten, t welk den Hospes niet heeft willen lijden.

4. Oft hij gisteren nagt niet is geweest aan de Lebbenbrugge
Segt niet te weten vuijle onbetamelijke woorden gesprooken te hebben, maar wel raillerende in meijninge om haer daer door te bewegen.

Bron: Crimineel gerichtssignaat, Ora 11, stad- en landgericht, 29 juni 1722. Transcriptie: Gerard Bannink.